Klik hier om naar het einde van deze pagina te gaan

Jan Mars
redactie, productie en bewerking
van teksten, woorden en taal




Apologie

Ik heb het gedaan, ja, natuurlijk. Toen het uiteindelijk zo ver was, had ik toch moeilijk terug kunnen krabbelen. Ik was er om het te doen en dus deed ik het. Ik ben er niet trots op, maar ik ga er ook niet over liegen. Ik heb erover nagedacht en dit was de uitkomst, de logische uitkomst van mijn denken. En die onttrekt zich aan kwalificaties als trots, of schaamte. Ik ben niet trots, ik schaam me niet, het is gegaan zoals het moest. Het kon niet anders.
   Toen ik de logische uitkomst had bedacht, moest ik die in praktijk brengen. Denken is zinloos als je niet bereid bent te proberen of het echt werkt. Als je niet zeker bent van de praktische houdbaarheid van de uitkomst van je denken, moet je verder, beter denken. Het is, om het zo te zeggen, bevredigend dat mijn denken de praktijktoets heeft doorstaan. Het werkte. Daar heb ik een tevreden gevoel over. Dat gevoel is niet trots, of schaamte. Of schuld.
   Het begon als een gedachtenexperiment: zou het kunnen? Er is uitgebreid geschreven over de vraag en over de mogelijke uitkomst. Honderden pagina's geworstel met gevoelens van schuld of boete na een kennelijk niet goed doordachte daad. Ik had het wel goed doordacht: het kan, mits je erover nadenkt en je je in alle details hebt verdiept, voor elk probleem een oplossing hebt gevonden.
   Ik heb er met niemand over gepraat, ook niet toen de gedachte me voor het eerst trof. In de leesclub ging het uitsluitend over schuld en boete, maar niemand stelde de vraag: zou het kunnen? Kun je iemand doden en ermee weg komen? Ik zweeg maar in gedachten stelde ik de vraag, en meteen gingen mijn gedachten verder: onder welke voorwaarden zou het kunnen? Welke problemen kom je tegen?
   Zoals het probleem van de schuld. Moet je je schuldig voelen over het nemen van een leven van dagelijks geneuzel over onbenulligheden waar niemand in geïnteresseerd is? Een leven waarin de gang naar dokters en ziekenhuizen nog het meest spannende is? En waarin zelfs die bezoeken aan dokters en ziekenhuizen eigenlijk niks opleveren dat niet allang duidelijk is?
   Ik heb niet met hem gepraat, natuurlijk, maar ik zou er helemaal niet verbaasd over zijn als hij het einde als verlossing voelde, zeker voor hem zelf, maar vast ook voor zijn nabestaanden. Ik weet niet of hij die heeft, of had, maar het kan niet anders dan dat zij opgelucht zijn. Trouwens, het feit dat zelfs ik niet weet of hij kinderen had, betekent toch al dat zijn leven ten minste voor die kinderen weinig voorstelde? Het was duidelijk geen verhouding waarin de kinderen dagelijks of zelfs wekelijks contact zochten met hun vader. Die gedachte alleen al verhindert elk gevoel van schuld.
   En bovenal: het ging helemaal niet over schuld. Het was als het ware een academische kwestie: kan het of kan het niet. Die academische kwestie oversteeg de praktische gevolgen. De praktische gevolgen waren onderdeel van de academische kwestie. Het oplossen ervan, daar ging het over. Niet over schuld. Schuld is slechts een emotie, en emoties staan los van academische kwesties.
   Over het probleem van de boete heb ik natuurlijk ook nagedacht. Als je niet schuldig bent, hoef je ook niet te boeten. Het is alleen dat anderen daar anders over denken. Een leven mag je niet nemen, ook niet als het leeg en nutteloos is, ook niet als je er een reden voor hebt. En ik had er geeneens een reden voor, behalve dat ik wilde bewijzen dat het kan, dat ik het kan, maar ook dat het in principe mogelijk is. De uitkomst van mijn denken over het probleem van de boete was, dat ik, schuldeloos maar niettemin, moest voorkomen dat de daad aan mij  toegeschreven kon worden. Ik moest het dus zo opzetten dat ik niet gepakt zou kunnen worden. En zo heb ik het gedaan. Dus ik word niet gepakt.
   Om te beginnen heb ik iemand uitgezocht die niets met mij te maken heeft, iemand die ik niet ken. Op een dag ben ik tegenover de bejaardensoos gaan staan en heb een kromme oude man uitgezocht. Het kostte weinig moeite om uit te vinden waar hij woonde, dat hij elke week op maandag, woensdag en donderdag de soos bezocht en dat hij altijd van half tien tot kwart voor twaalf bleef. Na drie weken ben ik achter hem aan de soos binnen gegaan en heb ik de huissleutel uit zijn jas aan de kapstok gepikt. Bij de hakkenbar om de hoek liet ik een duplicaat maken en daarna stopte ik de sleutel weer terug. Dat was simpel. Het kostte tien minuten. Niemand heeft het gemerkt.
   Tegen die tijd wist ik al heel veel van de man. Hij woonde alleen, in een van de lage huisjes aan het stille deel van de gracht. Hij had buren, maar die waren alleen 's avonds thuis. Met mijn nieuwe sleutel ben ik binnen gaan kijken. Ik droeg natuurlijk handschoenen. Hij kreeg een ochtendkrant, maar zelden post. Zijn leven speelde zich af in een woonkamer, een slaapkamer en een keuken met een douchecel. Dat hij op de begane grond woonde, leek even onhandig voor mijn plan, tot ik ontdekte dat hij trouw elke dag voor het avondeten zijn gordijnen sloot. Er waren geen foto's of andere tekenen van een sociaal leven. Er lagen twee brieven van het ziekenhuis: vorige maand is hij er twee keer geweest. Volgende maand heeft hij er een nieuwe afspraak.
   Zijn leven bleek van een verbazende leegte. Drie keer per week ging hij naar de bakker op de hoek en daarna naar de soos, waar hij kaartte met andere kromme oude mannen. Op dinsdagmiddag wandelde hij naar de supermarkt, op vrijdag naar de markt en op zaterdag weer naar de supermarkt. Wat hij in zijn weekeindes deed, heb ik niet geprobeerd te achterhalen - er zijn grenzen aan mijn verdraagzaamheid.
   Hoe moest ik het doen? Dat probleem was het eenvoudigst op te lossen. Het leek onvermijdelijk dat er op enig moment fysiek contact moest zijn, hoe zeer mij dat ook tegen staat. Maar een vuurwapen heb ik niet, en hem doodschieten zou ook te veel herrie maken. En vooral: een schotwond duidt op een misdrijf en de politie zou in actie komen, met alle gevolgen van dien. Je kunt maar beter voorkomen dat ze op allerlei onvoorziene plekken op onderzoek gaan.
   Een vergelijkbare redenering gold voor gif, nog los van de kwestie dat dat toegediend moet worden. Om echt nergens verdenking te zaaien, moest ik iets bedenken waardoor de doodsoorzaak min of meer natuurlijk zou lijken. Verstikking leek voor de hand te liggen. Dat levert een dode op die niet beschadigd is en bij een oude dode man in zijn eigen woning denkt iedereen aan een kwaal als oorzaak, en niet aan een misdrijf.
   Om een kromme oude man effectief naar de andere wereld te helpen, zou niet veel nodig zijn, spierkracht wel het minst. Toch besloot ik problemen zo veel mogelijk voor te zijn. Ik schafte ether aan en vond uit hoe dat toe te dienen. Daarvoor lokte ik een loslopende hond mijn huis in, hield hem stevig bij zijn nekvel en bedekte neus en mond met een lap die nat was van de ether. De hond viel vrijwel onmiddellijk om en kwam pas na een uur enigszins bij. Hoewel hij nog wat wankel ter been was, duwde ik hem de straat op. Ik heb hem niet nagekeken. Het was duidelijk: gebruik maken van ether zou de finale vergemakkelijken.
   Daarna was het snel gebeurd. Ik verschool me in het huis toen hij naar de supermarkt was. Onderweg erheen heb ik geen bekenden gezien. Ik liep, had mijn jas binnenstebuiten aangetrokken, een hoed opgezet. Thuis had ik mijn zakken leeg gemaakt, zodat ik bij een eventuele worsteling niks zou kunnen verliezen. Daarom droeg ik een trui zonder knopen. De fles ether, die ik steeds met handschoenen aan had vastgehouden, zat in mijn jaszak, samen met de lap. Niemand zag me het huis binnen gaan, dat weet ik zeker. Daar lette ik op. Ik wachtte in de keuken.
   De man kwam thuis, mompelend in zichzelf. Hij scharrelde rond in zijn woonkamer, deed er de gordijnen dicht en kwam toen de keuken in. Daar zag hij mij, met mijn hoed, mijn das voor mijn mond en mijn druipende lap met ether. Hij deed zijn mond open om wat te zeggen, maar voor hij besefte wat er gebeurde, was hij verdoofd. Hij viel. Ik schroefde de fles dicht en stopte hem met de lap in mijn jaszak. Ik hield zijn neus dicht en bedekte met mijn andere hand zijn mond. Na een halve minuut schokte zijn lijf één keer, vijftien seconden later lag hij stil. Voor de zekerheid hield ik nog een minuut vol.
   Voor ik weg ging, keek ik uit het raampje in de voordeur. De gracht was verlaten en ik stapte naar buiten, deed rustig de deur achter me dicht en wandelde weg. Lopend trok ik mijn handschoenen uit en stopte ze in mijn zak. Op de brug leunde ik over de reling en liet ik terloops de sleutel in het water vallen. Drie eenden kwamen nieuwsgierig aanzwemmen.
   Het voorval heeft de krant niet gehaald. Toen ik drie dagen later langs het huis kwam, was het gordijn open. De kaartvrienden van de man zullen wel hem gemist hebben. Ze zijn vast naar zijn huis geweest en hebben hem  gevonden. Een kromme oude man die dood in zijn keuken ligt, dat komt voor. Dat hoeft helemaal niet in de krant. Een moord, die wel. Maar dit is een moord die niet op een moord lijkt. Niemand weet dat ik het was. Ik word niet gepakt.


i 2013


Klik hier om naar het begin van deze pagina te gaan.
Terug naar de beginpagina

Terug naar de besloten pagina