Jan Mars
redactie, productie en bewerking
van teksten, woorden en taal




De geschiedenis van de atletiek, deel 6


Verspringen

Zoals zoveel Nederlands cultuurgoed, denk aan beerenburger, kievietseieren, de grote BM en het Makkumer aardewerk, vindt het verspringen zijn oorsprong in het weidse Friesland, of meer specifiek in West-Friesland, wat dus eigenlijk de kop van Noord-Holland is. Lang geleden bestond dit gebied voor het grootste deel uit water, maar de schaarse bewoners konden daar goed mee leven. Recente grafvondsten en grotschilderingen hebben aangetoond dat zij al voor het jaar nul scheepvaart bedreven.
In hun onstuitbare streven naar verbetering van de levensomstandigheden ontdekten de koene West-Friezen tal van nuttige zaken, zoals terpen, dijkjes en overkapte bootjes, maar nadat voor de zoveelste keer een onverwachte westerstorm de marginale woongebieden onder water had gezet, realiseerden ze zich dat de problemen bij de wortel aangepakt dienden te worden. De vraag was: wat is die wortel?
Het is in de mist van de geschiedenis niet te achterhalen welke wakkere Friese voorman beredeneerden dat het probleem het water zelf was. Toen het de man ten slotte gelukt was zijn collega-Friezen, wijd en zijd immers bekend om hun eigenwijze inborst, ervan te overtuigen dat het verwijderen van het water de enige beklijvende verbetering zou zijn van de barse leefomstandigheden, duurde het niet lang of men was in de weer om met behulp van dijken, sluizen, graafmachines en waterkeringen, watervlaktes om te bouwen tot polders.
Werkendewijs ontdekte men dat deze polders minder nat waren dan de eerdere meren, daar dat er een geweldige hoeveelheid technologie voor nodig was om ze ook ze te houden. Zo ontstonden boezems, molens, gemalen en afwateringssloten.
Deze laatste leidden tot het atletiekonderdeel verspringen. Dat ging evenwel niet zonder problemen – men zou zeggen: met vallen en opstaan, als het grapje niet zo voor de hand had gelegen. De sloten in die tijd waren namelijk onduidelijk van afmetingen, met sterk variŽrende kanten, die bovendien door het drenken van vee waren voorzien van onprettige onregelmatigheden. De oplossing die de West-Friezen daarvoor in de dertiende eeuw bedachten, was het polsstokverspringen. Bij hun migratie uit Noord-Holland naar Friesland namen de Friezen deze tak van sport mee. Onder de naam ‘fierljeppen’ maakten ze er een toeristentrekker van jewelste van, hoewel de Friese sloten zich er absoluut niet voor lenen.
Dat de Noord-Hollanders niet op dat idee kwamen, is exemplarisch. De Noord-Hollanders vormden een weliswaar hartelijk en gastvrij, maar verder behoorlijk verstrooid volk. Het kwam bijvoorbeeld regelmatig voor dat een boerenzoon bij het ochtendkrieken op pad toog om in een ver weiland de koeien te gaan melken, en pas bij de eerste sloot ontdekte dat hij zijn polsstok had vergeten. Geluk bij een ongeluk was dat, anders dan de geŽmigreerde Friezen, de Noord-Hollanders genetisch over een uitzonderlijke sprongkracht beschikten.
Al gauw ontstonden er dan ook verspringclubjes van jeugdige Noord-Hollandse jongemannen die, gelijk de Masai-krijgers elkaar opzwepen tot steeds hogere sprongen, elkaar wisten aan te zetten tot het bespringen van steeds bredere sloten. Met de opname van het verspringen in de officiŽle atletiek kwam er spijtig genoeg een einde aan deze folklore.

2008/4